Johan Schep vond Jezus in Israëlische woestijn: “Ik was blind, maar nu kan ik zien”
Johan Schep (73) staat bekend om zijn evangelisatie-activiteiten. Velen weten niet
dat zijn geloofsweg begon in de Israëlische woestijn. “Ik was een verloren ziel”, zegt
hij. “Ik ging naar de kerk, deed belijdenis, maar kende de Heer Jezus niet
persoonlijk. De kerk was in beeld. Jezus niet.”
Schep groeide op in een groot gezin in een tijd waarin geloof meer een plicht was dan
een levendig gebeuren. “Wij moesten naar de kerk”, vertelt hij. “Als je me toen vroeg wat
ik was, had ik gezegd: christen. Ik geloofde dat God de Schepper was, maar ik kende
Hem niet persoonlijk.”
De belijdenis die hij als jongeman aflegde, was voor hem eerder een last dan een
vreugde. “Ik huilde, want ik wist: ik zeg ja tegen iets waar ik geen zekerheid van heb. Maar
in die tijd had je niet de macht om tegen te spreken.” Het kerkelijke leven bood structuur,
maar geen vrede. “De kerk was in beeld, met haar regels en verwachtingen. Maar de
levende Jezus was afwezig.”
Verantwoordelijkheid op jonge leeftijd
Toen Schep elf jaar oud was, emigreerde het gezin naar Brazilië. Het avontuur liep op een
mislukking uit. Twee jaar later keerde het gezin berooid terug naar Nederland. “We
moesten helemaal opnieuw beginnen. Drie van de acht kinderen hadden geelzucht. Ik
zie nog hoe mijn vader thuiskwam van de fabriek, ons zag liggen en begon te huilen. Hij
riep uit: ‘Wat heb ik mijn gezin aangedaan!’”
Dat moment veranderde iets in de jonge Johan. “Ik trok het laken over mijn hoofd en zei
tegen mezelf: ik ga zorgen dat mijn broertjes en zusjes er weer bovenop komen.
Studeren hoefde niet, ik ging werken.” Samen met zijn vader begon hij een melkzaak, een
rijdende SRV-wagen in Gorinchem. “Ik was de jongste met een winkelwagen”, zegt hij
met een glimlach. “Maar diep vanbinnen bleef die onrust. Ik zocht naar iets groters, iets
wat ik niet kon benoemen.”
Teleurgesteld in religie
Op zijn eenentwintigste liet hij de zaak achter zich en begon te reizen. “Het was de tijd
van de hippies. Ik liet mijn haar groeien en trok de wereld in.” Zijn reis bracht hem
uiteindelijk naar Israël. “Mijn eerste contact met een religieuze Jood was ontluisterend.
Hij had op een lelijke manier misbruik gemaakt van de oorlogssituatie. Door mijn
ingrijpen kreeg hij gevangenisstraf. Dat was mijn eerste indruk van religie daar.”
Schep was al teleurgesteld in de kerk, nu kwam daar ook het jodendom bij. “Ik zag overal
instituties, regels, machtsverhoudingen, maar niet de levende God.”
Na de Jom Kipoer-oorlog trok hij de woestijn in. “Ik bouwde een hut voor mezelf. Voor het
eerst had ik stilte om na te denken. Toen ik mijn rugzak uitpakte, viel er een klein bijbeltje
op de grond. Later ontdekte ik dat mijn moeder dat erin had gedaan.”
“Tot vrijheid heeft Christus ons vrijgemaakt”
Uit nieuwsgierigheid begon hij te lezen. “Op wonderlijke wijze kwam ik bij de brief aan de
Galaten uit. Ik begreep er niets van, maar bleef lezen. Tot ik bij hoofdstuk 5 vers 1 kwam:
‘Tot vrijheid heeft Christus ons vrijgemaakt.’” Dat vers werd het keerpunt. “Daar stond
het: Christus en vrijheid in één zin. Dat raakte me. Daar was ik mijn hele leven al naar op
zoek. Vrijheid. Er werd iets wakker in mij.”
Vanaf dat moment begon hij Jezus te ontdekken. “Ik leerde de vriendelijkheid van
Christus kennen, Zijn bewogenheid met mensen. Hoe Hij Zich uitstrekte naar Israël en
werd afgewezen. En toen besefte ik: ik heb Hem ook afgewezen. Ik was blind, maar nu
kan ik zien.”
De Bijbel kwam tot leven
Na zijn bekering veranderde alles. “Toen ik terugkwam in Nederland, zong ik de oude
psalmen anders. ‘God is getrouw, Zijn plannen falen niet’. Die tekst werd werkelijkheid.
Hij had mij geroepen. De Bijbel werd levend voor me. Ik zag dat God mij al vóór de
grondlegging van de wereld had uitverkoren. En met de vrede en vergeving die ik vond,
kwam ook een nieuwe pijn: de mensen om mij heen waren blind. Zeker in Israël:
verloren, maar kostbaar.”
Die bewogenheid werd de drijfveer van zijn leven. “Vanaf de eerste dag begon ik te
getuigen. Al die hippies hadden hun eigen goeroe, maar ik had de mijne gevonden:
Jezus.”
Een sleutelmoment in zijn roeping kwam toen hij een Joodse vrouw ontmoette die tot
geloof was gekomen door Jesaja 53. “Zij liet me zien dat het Oude Testament vol
profetieën over de Messias staat. Dat was voor mij een openbaring. Vanaf toen ben ik het
evangelie gaan uitleggen vanuit de Tenach. Met vallen en opstaan. Steeds opnieuw zag
ik: alles wijst naar Jezus. Ik kreeg een nieuwe Bijbel toen ik Christus ging zien in de
Schriften. De Bijbel werd mijn autoriteit. Niet de kerkgeschiedenis, maar het Woord zelf.”
Die overtuiging werd versterkt door een bijzondere ontmoeting. “Diezelfde vrouw had in
de jaren vijftig contact met Corrie ten Boom. Corrie vroeg: ‘Wat kan ik voor je doen?’
Magda antwoordde: ‘Stuur me bijbels in verschillende talen.’ Corrie regelde dat. Vijftien
jaar lang kwamen er dozen vol bijbels binnen. Toen de vrouw ziek werd, bleven ze zich
opstapelen. Tot wij kwamen, en we de bijbels mochten uitdelen. Zo begon het. En
sindsdien zeg ik: elke Bijbel is een evangelist. Het Woord doet het werk.”
Spreken over de Messias
In Israël koos Schep voor een directe benadering. “Ik praat niet over de kerk, maar over
de Heer Jezus: de Joodse Messias. Ik neem mensen mee naar Jozef, een type van de
lijdende Christus. Naar Benjamin, de leeuw van Juda. Naar Spreuken, naar Psalm 2: ‘Kus
de Zoon.’
Zelfs Mattheüs 1 vers 1 is een sleutel: ‘Jezus Christus, de zoon van David, de zoon van
Abraham.’ Dan gaan Joodse ogen open, want niemand heeft nog een geslachtsregister.
Alles is verbrand in het jaar 70. Er is maar één Jood vandaag met een legaal
geslachtsregister: Jezus. Dan zeggen ze: ‘Hij is één van ons.’ Ze hebben Hem tot een
heiden gemaakt, maar Hij is Jood. In Israël is Jezus de grote onbekende.”
Een kolonel met een M16
Soms ziet Schep hoe God mensen op wonderlijke wijze tot geloof brengt. “Een kolonel
uit het Israëlische leger gaf me eens een lift. Hij zei: ‘Ik blijf vijf minuten voor een kop
thee.’ Maar hij bleef drie weken. En na drie weken riep hij uit: ‘Het kostbare bloed heeft
mij gereinigd van al mijn zonden!’
Hij ging overal met me mee. Dat deed hij in uniform, met zijn M16. Ik heb nog nooit
zoveel bijbels uitgedeeld als toen. Later ontmoette hij een jonge vrouw die verliefd werd
op hem én op Jezus. Toen ze dat aan haar ouders vertelde, zei haar vader: ‘Die man ken
ik!’ Hij vertelde dat hij tijdens de oorlog, slapend in het bos, een visioen van Jezus had
gezien. Toen hij wakker werd, stonden er naast hem twee schoenen, een jas en een fles
melk. De cirkel was rond: ook haar ouders kwamen tot geloof. Zo werkt God.”
“De waarheid is én-én”
Voor Schep is het onmogelijk om liefde voor het Joodse volk te scheiden van getuigenis
over Jezus. “De waarheid is én-én. Johannes 7 zegt het al: de Bijbel is waarheid, en Jezus
ís de waarheid. Je kunt niet zeggen dat je het Joodse volk liefhebt, maar hen de Messias
onthouden.”
Hij spreekt met diepe overtuiging over de eenheid in Christus. “De gemeente van God
bestaat uit opnieuw geboren Joden en Arabieren die samen de nieuwe mens vormen. En
het ongelovige Israël moet nog bereikt worden. Wie in Christus is, krijgt een brandend
verlangen om het evangelie te delen. Dat gebeurt tot op de dag van vandaag.”
Bron CVandaag
